Schrijven

Een theoretisch kader dat je onderzoekskeuzes onderbouwt

Maak van losse bronnotities een samenhangend theoretisch kader. Vergelijk begrippen, onderbouw je keuze en laat zien wat die betekent voor je onderzoek.

Illustratie van twee open bronboeken en gekleurde kaarten die op een vel papier met lijnen tot een samenhangend geheel zijn verbonden.

Je hebt artikelen gelezen, definities verzameld en bij iedere alinea een bron gezet. Toch leest je theoretisch kader als een stapel samenvattingen. De lezer weet wat verschillende auteurs zeggen, maar nog niet welke ideeën jij gebruikt om je onderzoeksvraag te beantwoorden.

Vergelijk nu wat je bronnen zeggen en leg uit welke inzichten je gebruikt. Dat is ook de richting die Taalwinkel van UvA en HvA aangeeft: maak overeenkomsten en verschillen zichtbaar en verantwoord welke theorie of definitie je voor je onderzoek gebruikt. Hieronder zie je hoe je zo'n keuze uitwerkt, zonder een extra rij samenvattingen toe te voegen.

Wat moet je lezer na dit hoofdstuk begrijpen?

Een theoretisch kader maakt duidelijk met welke begrippen en theoretische inzichten je naar je onderwerp kijkt. Het UU-handboek voor Sociale Geografie en Planologie benadrukt daarbij een kritisch, samenhangend overzicht van perspectieven die helpen bij de onderzoeksvragen. Een lijst met definities kan daarvoor een begin zijn, maar laat de onderlinge relaties nog niet zien.

Vraag bij een paragraaf daarom niet alleen: ‘Heb ik dit begrip uitgelegd?’ Vraag ook: ‘Welke beslissing kan de lezer nu volgen?’ Misschien kies je een definitie omdat die onderscheid maakt tussen twee ervaringen die je wilt onderzoeken. Of je bespreekt twee theorieën omdat ze een andere verklaring geven voor hetzelfde verschijnsel. Je hoeft niet altijd één theorie te kiezen; ook het verschil tussen perspectieven kan belangrijk zijn voor je onderzoek.

De precieze plaats en vorm van dit hoofdstuk hangen af van je opleiding en onderzoeksopzet. Deze uitleg helpt je de redenering te schrijven. Ze bepaalt niet hoeveel pagina's, bronnen of modellen jouw scriptie moet bevatten.

Twee bronnen kunnen hetzelfde woord anders gebruiken

Neem een volledig verzonnen oefencasus: je onderzoekt hoe studenten de toegankelijkheid van studieplekken in een bibliotheek ervaren. Ook de volgende bronnotities A en B zijn verzonnen oefenmateriaal, geen bestaande publicaties. In je eigen tekst gebruik je uiteraard echte bronnen en verwijzingen.

  • Notitie A: toegankelijkheid wordt opgevat als een studieplek kunnen bereiken en binnengaan, bijvoorbeeld doordat het gebouw open is.
  • Notitie B: toegankelijkheid wordt opgevat als een studieplek daadwerkelijk kunnen gebruiken, bijvoorbeeld doordat er een geschikte werkplek beschikbaar is.

Schrijf je eerst een alinea over A en daarna een alinea over B, dan blijft een belangrijk verschil impliciet. Een student kan de bibliotheek immers binnengaan en toch nergens kunnen werken. De definities gaan over verschillende drempels.

Dat wordt extra relevant als twee onderzoeken op het eerste gezicht botsen. ‘Studenten kunnen er terecht’ en ‘studenten kunnen er niet terecht’ lijken tegengestelde bevindingen. Maar als het ene onderzoek openingstijden bedoelt en het andere beschikbare werkplekken, gaat het niet om precies dezelfde uitspraak. Je kunt pas van tegenspraak spreken nadat je hebt nagegaan wat er is onderzocht en hoe het begrip is gebruikt.

Controleer daarom bij een bronverschil eerst drie dingen: bedoelen de auteurs hetzelfde, onderzoeken ze vergelijkbare situaties en baseren ze hun uitspraken op vergelijkbare informatie? De UU-uitleg over bronnen selecteren helpt bij die afweging: kijk naar de bijdrage aan je vraag en naar verschillen in context en onderzoekseenheden. Een bron over een andere situatie is niet automatisch onbruikbaar, maar je moet uitleggen welke inzichten je kunt overnemen.

Schrijf de vergelijking én de keuze op

Een eerste versie van de oefenpassage kan er zo uitzien:

Bron A beschrijft toegankelijkheid als kunnen bereiken en binnengaan. Bron B beschrijft toegankelijkheid als daadwerkelijk kunnen gebruiken. Beide definities zijn relevant voor dit onderzoek.

De laatste zin stelt relevantie vast, maar laat niet zien wat je ermee doet. Voor de vraag naar ervaren toegankelijkheid zou je de passage als volgt kunnen uitwerken:

De twee definities leggen de nadruk op een andere drempel: toegang tot het gebouw bij A en gebruik van een studieplek bij B. In dit onderzoek staan ervaringen met het kunnen gebruiken van een studieplek centraal. Daarom wordt de benadering uit B als uitgangspunt genomen. De toegang tot het gebouw blijft een afzonderlijk aandachtspunt: een gesloten bibliotheek en een open bibliotheek zonder beschikbare werkplek vormen verschillende problemen.

Nu ziet de lezer de vergelijking, de keuze en de reden daarvoor. Je voegt niet alleen het woord ‘daarom’ toe; je benoemt wat je vraag vereist. Ook blijft zichtbaar wat de gekozen benadering op zichzelf niet dekt.

Deze oefenpassage laat één onderdeel zien; voor je eigen kader werk je de begrippen verder uit met echte bronnen. Het punt is de stap van ‘beide zijn relevant’ naar een controleerbare inhoudelijke keuze. Maak diezelfde stap bij een begrip uit je eigen hoofdstuk.

Let daarbij op het verschil tussen een keuze en een conclusie uit de literatuur. ‘Voor dit onderzoek kies ik deze definitie’ is jouw beargumenteerde beslissing. ‘Deze definitie is beter’ is een algemenere claim waarvoor je veel meer moet aantonen. Een definitie die bij jouw vraag past, hoeft niet voor elke andere vraag het beste uitgangspunt te zijn.

Laat de keuze terugkomen in wat je onderzoekt

Een keuze wordt pas bruikbaar als je haar consequent toepast. Als je in de bibliotheekcasus toegankelijkheid omschrijft als een plek daadwerkelijk kunnen gebruiken, kun je later niet alleen openingstijden beschrijven en doen alsof daarmee het hele begrip is onderzocht.

Vraag je bij het voorbereiden van je onderzoek dus af welke ervaringen bij die gekozen betekenis horen. De mogelijkheid om binnen te komen en het vinden van een bruikbare werkplek moeten in deze casus te onderscheiden blijven. Hoe je daar precies informatie over verzamelt en analyseert, werk je uit in je methode. Het theoretisch kader onderbouwt waarom dat onderscheid ertoe doet.

Die verbinding werkt ook tijdens het herschrijven. Ontdek je dat je verzamelde gegevens slechts één deel van het begrip laten zien, schrijf de definitie dan niet stilletjes om totdat alles lijkt te passen. Benoem het verschil en bepaal wat het betekent voor de vraag die je nog kunt beantwoorden. Een smaller antwoord kan eerlijker zijn dan een breed begrip dat je gegevens niet dragen.

Een schema helpt alleen als je de verbindingen kunt uitleggen

Soms vraagt je opleiding om een conceptueel model of raamwerk. Het UU-handboek beschrijft zo'n model als een weergave van theoretisch verwachte verbanden. Het onderscheidt daarbij verschillende toepassingen bij kwantitatief en kwalitatief onderzoek; één type pijlenmodel is dus geen verplicht format voor iedere scriptie.

Begin niet met vakjes tekenen om het hoofdstuk af te krijgen. Schrijf eerst bij iedere verbinding wat je ermee bedoelt en waarop ze berust. Geef bijvoorbeeld aan of je alleen aspecten groepeert of ook een samenhang of invloed verwacht. Zonder uitleg kan je lezer daar iets anders in zien dan jij bedoelt.

In de oefencasus kun je ‘toegang tot gebouw’ en ‘gebruik van werkplek’ naast elkaar zetten om verschillende aspecten zichtbaar te maken. Dat schema bewijst niet dat langere openingstijden ervoor zorgen dat studenten vaker een geschikte plek vinden. Voor zo'n bewering zijn een onderbouwing en passend onderzoek nodig; een pijl levert die niet.

Pak één alinea waarin je nu vooral bronnen navertelt

Kies een passage met minstens twee perspectieven op hetzelfde begrip of probleem. Zet in de kantlijn wat precies overeenkomt of verschilt. Kun je dat niet formuleren, ga dan terug naar de bronnen: misschien vergelijk je verschillende vragen of ontbreekt er informatie in je notities.

Schrijf vervolgens welke betekenis of welk perspectief je gebruikt en waarom je onderzoeksvraag daarom vraagt. Voeg ten slotte één zin toe over het gevolg: wat ga je hierdoor onderscheiden, bekijken of buiten beschouwing laten? Niet iedere alinea hoeft dit hele patroon te volgen, maar voor je belangrijkste keuzes moet de redenering ergens zichtbaar zijn.

Je revisie heeft iets opgeleverd als je lezer niet alleen kan navertellen wat de bronnen zeggen, maar ook kan uitleggen waarom jij juist met deze begrippen en inzichten verdergaat.

Bronnen

Lees verder

Schrijven

Scriptie uitstellen? Zo begin je vandaag

Blijf je je scriptie uitstellen? Kies één kleine taak, plan een kort werkblok en maak je eerste resultaat zichtbaar. Met een concreet voorbeeld.

5 min lezen