Schrijven

Scriptie uitstellen? Zo begin je vandaag

Blijf je je scriptie uitstellen? Kies één kleine taak, plan een kort werkblok en maak je eerste resultaat zichtbaar. Met een concreet voorbeeld.

Illustratie van een laptop met een begonnen document, een gele taakkaart en een oranje timer om aan één kleine scriptietaak te beginnen.

Kies één taak aan je scriptie waarvan je precies kunt zeggen wat er straks ligt. Reserveer daar een kort werkblok voor en open alleen wat je nodig hebt. ‘Aan mijn scriptie werken’ wordt bijvoorbeeld: ‘Bij één gelezen bron opschrijven wat die bijdraagt aan mijn onderzoeksvraag.’ Met de vijf stappen hieronder maak je die eerste actie concreet.

1. Zoek uit waar je op vastloopt

Wat gebeurt er op het moment dat je wilt beginnen? Je opent je document, leest de eerste zinnen opnieuw en klikt dan toch iets anders aan. Noteer wat je op dat moment tegenhoudt: weet je niet wat er in de paragraaf moet, lijkt de taak te groot of blijf je twijfelen aan je formulering?

De Universiteit Utrecht adviseert om bij uitstelgedrag je doel, aanpak, mogelijkheden en motivatie te onderzoeken. Daarmee kun je gerichter bepalen wat je volgende stap wordt.

Als de opdracht onduidelijk is, pak dan eerst de handleiding of formuleer een vraag voor je begeleider. Als je wel weet wat er moet gebeuren maar tegen de hoeveelheid opziet, maak de taak kleiner. Kun je nu door je omstandigheden nauwelijks werken, neem dat dan mee in wat je van jezelf vraagt.

Je check: kun je de zin ‘Ik begin niet, omdat…’ aanvullen met iets concreters dan ‘Ik ben gewoon slecht in plannen’?

2. Maak van een hoofdstuk één uitvoerbare taak

‘Theoretisch kader schrijven’ bestaat uit verschillende handelingen. Je moet bijvoorbeeld bronnen lezen, begrippen vergelijken en uitleggen wat je voor je eigen onderzoek gebruikt. Kies daar één handeling uit met een duidelijk eindpunt.

Fictief voorbeeld: een student heeft drie artikelen gelezen over werkdruk, maar stelt het schrijven uit. In de planning staat steeds ‘Theoretisch kader afmaken’. Voor het volgende werkblok verandert de student dat in:

  • Taak: open één van de gelezen artikelen en zoek de definitie van werkdruk terug.
  • Resultaat: een notitie met de definitie in eigen woorden, een bronverwijzing met vindplaats en één zin over de aansluiting bij de eigen onderzoeksvraag.
  • Afgerond wanneer: de notitie is opgeslagen en de definitie is gecontroleerd tegen de bron.

De notitie hoeft nog geen publiceerbare alinea te zijn. Ze levert wel materiaal op waarmee de student verder kan schrijven. Blijkt de bron toch niet bij de onderzoeksvraag te passen? Noteer waarom; dat is ook een concrete uitkomst.

Je check: weet je welk bestand je opent, wat je daarin doet en waaraan je ziet dat de taak af is?

3. Spreek een kort werkblok met jezelf af

Kies een begintijd en een plek. Bijvoorbeeld: ‘Om 10.00 uur werk ik aan de tafel in de bibliotheek twintig minuten aan mijn bronnotitie.’ Twintig minuten is hier een praktische startkeuze, geen bewezen ideale duur. Kies een blok dat bij jouw taak en beschikbare tijd past.

Tilburg University raadt aan klein te beginnen, afleiding te beperken en pauzes in te plannen. Leg je telefoon buiten bereik en sluit tabbladen die je voor deze taak niet nodig hebt. Zet je document en bron alvast klaar.

Je kunt een timer gebruiken om het werkblok af te bakenen. Noteer een andere taak die tussendoor in je opkomt kort voor later, zodat je deze niet meteen hoeft op te pakken.

Je check: kun je bij de start direct de gekozen handeling uitvoeren, zonder eerst je hele werkplek of planning opnieuw in te richten?

4. Geef je eerste versie een kleine opdracht

Als je blijft schaven aan de eerste zin, schrijf dan eerst de inhoud op die je wilt overbrengen. Wat moet de lezer hier weten? Welke bron of bevinding hoort daarbij? Wat moet je nog uitzoeken?

In het fictieve voorbeeld schrijft de student eerst losse notities over de definitie en de relevantie ervan. Het verbinden tot een lopende alinea volgt in een apart werkblok. Dat maakt zichtbaar welk denkwerk al gedaan is en welke uitleg nog ontbreekt.

Markeer open vragen herkenbaar, bijvoorbeeld met ‘[nog controleren: past deze definitie bij mijn doelgroep?]’. Houd zo’n markering in je werkversie; los haar op voordat je de tekst inlevert. Vul een ontbrekende bron of bevinding nooit in om de alinea alvast af te laten lijken.

Je check: staat er bruikbare inhoud op papier, en kun je onderscheiden wat gecontroleerd is en wat nog openstaat?

5. Leg vóór je stopt de volgende stap klaar

Bekijk aan het einde van je werkblok wat er ligt. Is de bronnotitie af? Schrijf dan op wat je hierna doet, bijvoorbeeld: ‘De definitie uit het tweede artikel naast deze notitie zetten.’ Bewaar die zin bovenaan je werkdocument of op je takenlijst.

Is de taak niet af, noteer dan waar je bleef hangen. Misschien kostte het terugvinden van de definitie langer dan verwacht. Dan kan je volgende stap zijn om je eerdere leesnotities erbij te pakken. Gebruik die informatie om je volgende werkblok haalbaarder te plannen.

Je check: kun je morgen verder zonder opnieuw te bedenken waar je was gebleven?

Blijf je vastlopen? Neem één concreet probleem mee

Bespreek wat je hebt geprobeerd en waar het stopt. Bijvoorbeeld: ‘Ik kan mijn bronnen samenvatten, maar weet niet hoe ik ze met elkaar verbind. Kunt u met mij naar deze twee notities kijken?’

Bij inhoudelijke onduidelijkheid is je begeleider een logisch aanspreekpunt. Voor schrijfaanpak, planning of persoonlijke omstandigheden kan andere ondersteuning passen. Tilburgs uitleg over vastlopen met je scriptie maakt dat onderscheid tussen begeleider, coördinator en schrijfondersteuning. Kijk welk aanbod jouw eigen opleiding heeft. Je hoeft niet te wachten tot je volgende deadline is verstreken om aan te geven waar je hulp bij nodig hebt.

Bronnen

Lees verder